Geschiedenis 

In de vroege Middeleeuwen

In de vroege Middeleeuwen, rond 500 na Chr., vormen de wierden en terpen in het noordelijke zeekleilandschap de meest dichtbevolkte regio in Noordwest-Europa. Tijdens hoge springvloeden verandert het landschap in één grote watervlakte, waar kweldereilanden en veel, heel veel wierden met groepen boerderijen bovenuit steken. Niet alleen de zee, maar ook Vikingen en rivaliserende hoofdmannen vormen een constant risico. De eerste ‘steenhuizen’ worden gebouwd. Ze worden niet alleen gebruikt om de oogst op te bergen; als de vijand nadert trekken de bewoners zich in de stenen torens terug om zich te verdedigen. In dezelfde tijd komt de kerstening door Ierse en Engelse monniken op gang en er verschijnen steeds meer kloosters en kerken in het landschap. De religieuze golf die in de 12e eeuw over Europa waart, heeft grote invloed op de ontwikkelingen in het gebied. Het cisterciënzer klooster in Aduard beschikt over voldoende mankracht om op grote schaal dijken te bouwen en land te ontginnen. Sluizen en vergraven wadprielen zorgen voor de afwatering van het ingedijkte land. Het gaat niet allemaal zonder slag of stoot. Tussen 1250 en 1550 wordt het land door diverse overstromingen getroffen, waardoor dijken doorbreken en sluizen wegspoelen.